Sint Jozefoord en Thuisborg slaan de handen ineen!

4 maanden ago ·

Sint Jozefoord en Thuisborg slaan de handen ineen!

Momenteel leven wij in een bijzondere tijd: het Coronavirus heeft veel impact op ons dagelijkse leven. De ouderen in onze samenleving zijn het meest kwetsbaar en wij willen hen dan ook zo goed mogelijk blijven beschermen.

Dit betekent wel dat er voldoende afstand moet worden gehouden en dat het contact met onze ouderen zo min mogelijk plaatsvindt. Door het gemis van het bezoek van de kinderen en de kleinkinderen merken wij dat zij vereenzamen en in een sociaal isolement terecht komen.

Sint Jozefoord, een zorginstelling die wonen met zorg aanbiedt voor ouderen, en Thuisborg, een vastgoedorganisatie die woonoplossingen biedt aan met name senioren, gaan een bezoekersunit aanpassen aan de door het RIVM vastgestelde beschermingsmaatregelen, om ervoor te zorgen dat de bewoners van Sint Jozefoord snel weer in gepast contact kunnen komen met hun naasten.

Thuisborg zal de levering en de plaatsing op zich nemen en Sint Jozefoord zorgt voor de beschermende voorzieningen, zoals plexiglas afscheiding, gescheiden ingangen en de begeleiding voor haar bewoners en de familie.

Samen zijn wij sterk, en samen moeten wij ook naar oplossingen zoeken om de nieuwe situaties die wij tegenkomen het hoofd te bieden. Daarom zijn wij blij dat wij dit samen kunnen realiseren. Dit geeft ons ook de motivatie om te bekijken of wij dit voor andere zorgorganisaties kunnen doen.

Mocht u als zorgorganisatie ook interesse hebben voor deze toepassing, neem dan contact op met Thuisborg. Wij zijn te bereiken op telefoonnummer 085 – 401 57 37.

Samen kunnen wij dan kijken naar de mogelijkheden voor een bezoekersunit of zorgwoning.

Read more 0

Vergrijzing vraagt om verandering op de woningmarkt

4 maanden ago ·

Vergrijzing vraagt om verandering op de woningmarkt

Het afgelopen jaar 2019 was opnieuw een memorabel jaar voor bouwend Nederland, maar niet in de gunstige zin van het woord. Zo daalde het aantal afgegeven bouwvergunningen met 27% naar pakweg 55.000. Dat getal ligt ver onder het streefgetal van 75.000. Natuurlijk speelt hier de stikstof problematiek een voorname rol. Maar minstens zo belangrijk is gebrek aan capaciteit bij gemeentes om snel vergunningen rond te maken. In de crisisjaren is heel veel kennis op gemeentelijk niveau de deur uitgedaan.

Door de ‘PAS-uitspraak’ van de Raad van State (Programma Aanpak Stikstof) zijn veel bouwplaatsen stil komen te liggen en daardoor zal de nieuwbouwproductie de komende jaren gaan dalen. In 2021 en 2022 zullen de gevolgen echt merkbaar worden. Dat betekent dat het tekort aan woningen de komende jaren eerder verder zal oplopen dan slinken. Volgens ABF Research bedroeg het tekort aan het begin van 2020 315.000 woningen.

Natuurlijk getroost de overheid zich veel inspanningen om de vaart erin te houden en de tekorten niet teveel te laten oplopen. De overheid heeft daarom in 2019 enkele initiatieven genomen die voor enige verlichting kunnen zorgen. Zo komt er een korting op de verhuurderheffing bij de bouw van sociale huurwoningen. Ook wordt het gemakkelijker tijdelijke huisvesting te plaatsen en wordt het toegestaan tijdelijke (flex)woningen langer te laten staan (15 jaar in plaats van 10jaar). Ook is het duidelijk dat lokale overheden meer steun nodig hebben om het aantal te verlenen bouwvergunningen naar 100.000 te brengen.

Doorstroming en vergrijzing
Nederland heeft niet alleen last van een tekort aan woningen, maar ook een gebrek aan doorstroming. Dat gebrek is voor een deel te wijten aan de vergrijzing van Nederland. De cijfers liegen niet. In 2019 waren er in Nederland 1,4 miljoen Nederlanders ouder dan 75 jaar. In 2040 zal dit getal opgelopen zijn naar 2,6 miljoen mensen ofwel 14,2% van de bevolking. Alleen al in de periode tot 2030 komen er 346.000 huishoudens bij in de leeftijdsklasse 74-84 jaar.

Figuur 1 Ontwikkeling huishoudens naar leeftijdsklassen, Nederland (2019-2040)


Het gaat dus om forse getallen. Het beleid van de overheid was er vanuit een kostenoogpunt de laatste jaren op gericht om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Dat beleid mag een succes genoemd worden. Steeds meer oudere Nederlanders wonen tot op zeer hoge leeftijd in hun oude woning. Echter dit succes heeft ook schaduwzijden. Het gaat niet ver om te stellen dat veel zeer oude Nederlanders als het ware gevangen zitten in hun eigen huis.

Figuur 2 Huishoudens naar mobiliteitsbeperkingen in Nederland, 2019


Wat is er aan de hand? Ouderdom komt met gebreken, zoals een spreekwoord luidt. Het aantal 75-plussers met zogeheten mobiliteitsbeperkingen groeit spectaculair. In de komende jaren gaat deze groep met maar liefst 280.000 huishoudens groeien. Van dat totaal is maar liefst 80% alleenstaand en daarmee kwetsbaarder dan samenwonenden die kunnen terugvallen op een partner. Veel van deze groep van 75-plussers zou graag naar een aangepaste woning verhuizen. Die zijn er simpelweg niet. Het is juist dit manco dat een goede doorstroming in de weg staat.

Het moge duidelijk zijn dat het groeiend mobiliteitsprobleem onder 75-plussers vraagt om aanpassingen in – en uitbreiding van – de woningvoorraad. ABF Research heeft becijferd dat er in de periode tot 2025 ongeveer 150.000 extra ‘geschikte’ woningen nodig zijn. In de periode daarna tot 2040 moeten er nog eens 250.000 geschikte woningen gebouwd of aangepast worden. Die 400.000 nieuwe of aangepaste woningen zijn in drie categorieën te splitsen. De grootste categorie is met 225.300 de nultreden-woning. Dat zijn huizen of appartementen die zowel van buiten als binnen toegankelijk zijn zonder trappen te hoeven lopen. De tweede categorie is met 87.500 woningen de aangepaste woning. Die aanpassingen hangen af van de behoefte van de bewoner met een lichamelijke beperking of handicap. De derde en laatste categorie is de geclusterde woning met in totaal 82.500 nieuwe of aangepaste woningen. Het gaat hier om woningen die deel uitmaken van een complex of een groep van woningen voor ouderen.

Figuur 3 Gewenste mutaties woningen naar typewoning, 2019 – 2040


Voor alle duidelijkheid, het gaat niet alleen om nieuwbouw, maar ook vaak om aanpassingen van bestaande woningen. Dat is maar goed ook, want in dezelfde periode moeten er ook nog eens bijna 500.000 woningen aan de normale woningvoorraad toegevoegd worden. Dat is een grote opgave en zal veel vragen van de bouwsector zelf, maar ook van overheden. Er zal met de nodige flexibiliteit gewerkt moeten worden om in deze opdracht te slagen. Dat is dan vooral bezien vanuit de wereld van 2019 met al zijn praktische beperkingen.

Read more 0

De verhuurder ontleed

9 maanden ago ·

De verhuurder ontleed

De belangstelling voor de particuliere huursector is groot. De opkomst van zogenoemde ‘buy-to-let’ beleggers in met name de grote steden heeft tot tientallen media-artikelen en onderzoeksrapporten geleid. Toch is de particuliere huursector in Nederland nog steeds een ‘black box’. Er is bijvoorbeeld nog relatief weinig bekend over de samenstelling van de sector.

Vooral de achterliggende investeringsmotieven en beleggingsstrategieën van particuliere verhuurders blijven in veel artikelen en onderzoeksrapporten onderbelicht. Hierdoor ontstaat in de maatschappelijke discussie een beeld van de sector dat meer op emotie dan op kennis is gebaseerd. Termen als ‘huisjesmelker’ en ‘woekerhuur’ domineren het debat, terwijl dit vooral excessen betreft en niet de sector als geheel.

In deze nieuwsbrief en in de volgende gaan we een poging wagen de particuliere verhuurder een gezicht te geven. Wie is de man of vrouw van wie u wellicht een pand of een appartement huurt? Wat zijn zijn/haar motieven en wat voor kenmerken draagt hij/zij bij zich?

Volgens een recent onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waren in 2018 in totaal ruim 280 duizend particuliere verhuurders actief op de Nederlandse woningmarkt. Samen verhuurden zij zo’n 475 duizend woningen. Dit is een kleine 6% van de totale woningvoorraad. De variëteit onder de verhuurders is groot. Er zijn er die slechts één pand verhuren, maar er zijn er ook met 50 panden in de portefeuille of meer. De waarde van de portefeuilles loopt derhalve ook sterk uiteen, vanaf pakweg € 250.000 tot meer dan

€ 5.000.000.

Als we vervolgens kijken naar het type woningen dat particuliere verhuurders aanbieden, of beter gezegd in welk marktsegment zij voornamelijk actief zijn, blijkt dat het overheersende beeld dat beleggers alleen nog dure huurwoningen aanbieden niet geheel klopt. Er wordt ook verhuurd in het sociale segment. Vooral grotere portefeuilles willen nog wel eens woningen uit het gereguleerde segment bevatten.

Verhuren is iets wat je erbij doet in de avonduren. Uit enquêtes blijkt dat meer dan de helft van de verhuurders het management en beheer van de verhuurportefeuille volledig in eigen hand houdt. Ook als de verhuurportefeuille voldoende inkomsten oplevert om in het levensonderhoud te kunnen voorzien, kiezen (met name jonge) particuliere verhuurders er overigens geregeld voor om te blijven werken.

Of met externe partijen wordt samengewerkt, is vooral afhankelijk van de grootschaligheid van de portefeuille. Grote, particuliere verhuurders, met meer dan 50 verhuurbare eenheden, willen in meerderheid externe partijen inschakelen. Welke taken en verantwoordelijkheden uitbesteed worden, is afhankelijk van de specifieke situatie en persoonlijke voorkeuren.

Verhuurders beginnen jong

In de media wordt geregeld gesuggereerd dat de groei van de particuliere huurmarkt vooral het gevolg is van de opkomst van nieuwe, met name ‘buy-to-let’ beleggers.  Onderzoek leert  dat niet zozeer nieuwe verhuurders, maar met name gevestigde partijen de huurmarkt domineren.

Ongeveer 45% van de huidige verhuurders heeft al voor 1996 zijn eerste verhuurpand aangekocht en heeft dus al meer dan 20 jaar ervaring.  Zij gingen de verhuurmarkt destijds op in een geheel andere context dan hun collega’s die hun eerste stap later gezet hebben.

Zo was de huurmarkt in de vorige eeuw sterker gereguleerd. Pas in 1989 werd bijvoorbeeld de huurliberalisatiegrens in het leven geroepen. Bovendien ontwikkelden de huizenprijzen zich voor 1996 vlakker, waardoor deze beter aansloten bij de inkomensontwikkeling van aspirant kopers.

In de tien jaar vóór de woningmarktcrisis van 2008 veranderde de huurmarkt danig. Deze periode wordt gekenmerkt door de deregulering van de huursector, stijgende huizenprijzen en de liberalisering van de hypotheekmarkt. Hierdoor werd het mogelijk om hypotheken met een hogere hypotheekschuld of zonder aflossingsverplichtingen te financieren.

Deze periode van ‘bloei’ eindigde min of meer abrupt door de financiële crisis van 2008. Ook in deze periode hadden verhuurders met veranderende marktomstandigheden te maken. De vraag naar koopwoningen daalde fors en de vraag naar huurwoningen was stabiel en nam in de grote steden zelfs toe.

De crisis was van uit een cyclisch perspectief bezien dan ook een gunstige periode om de verhuurmarkt te betreden. Tegelijkertijd veranderden echter de financiële instellingen hun beleid en werden beleggers gehouden aan striktere leningsvoorwaarden. In tegenstelling tot nieuwkomers op de woningbeleggingsmarkt konden gevestigde beleggers in deze periode doorgaans nog aanspraak maken op hun ‘oude’ leningsvoorwaarden. Hierdoor konden zij optimaal gebruik maken van de dalende prijzen op de koopwoningmarkt.

Verhuurders beginnen met hun activiteiten op relatief jonge leeftijd. Ongeveer 47% kocht zijn de eerste beleggingswoning voor het 35ste levensjaar, ongeveer 45% was op dat moment tussen de 35 en 54 jaar en slechts 8% was 55 jaar of ouder.

De hierboven beschreven veranderende marktomstandigheden zijn echter duidelijk terug te zien in de gemiddelde leeftijd waarop particuliere verhuurders er door de jaren heen in slaagden om hun eerste stap op de verhuurmarkt te zetten. Voor 1996 was de gemiddelde leeftijd nog geen 36 jaar, in de decennia voor de crisis was dit al gestegen tot 38 jaar en vanaf de crisis ligt de gemiddelde leeftijd op zo’n 43 jaar (zie figuur 3.9).

Ons inziens zijn hiervoor twee mogelijke verklaringen. Allereerst is de gemiddelde leeftijd van starters op de koopwoningmarkt de afgelopen tien jaar toegenomen. Aangezien Nederlanders doorgaans eerst eigenaar-bewoner en daarna eventueel pas particuliere verhuurder worden, heeft een latere verwezenlijking van de eigen woonwensen mogelijk uitstel van de belegging tot gevolg.

Bovendien speelt het eigen vermogen door de veranderende regelgeving op de hypotheekmarkt een steeds belangrijkere rol bij de aankoop van een beleggingswoning.

Voor de crisis was het nog gebruikelijk om de eerste panden met minstens 80% met vreemd vermogen te financieren. Inmiddels zijn financiers terughoudender in het toekennen van beleggingshypotheken met dergelijk hoge ‘loan-to-value’ ratio’s. Nieuwe woningmarktbeleggers hebben hierdoor mogelijk meer tijd nodig om de benodigde financiële middelen te verkrijgen, waardoor zij pas op latere leeftijd de particuliere verhuurmarkt kunnen betreden.

Over de verhuurportefeuille en startperiode

Ook nieuwkomers op de verhuurmarkt kunnen middelgrote en grote verhuurportefeuilles in bezit hebben. Dat zijn echter de uitzonderingen. De normale gang van zaken is dat de omvang van de verhuurportefeuille toeneemt naarmate de particuliere belegger langer actief is op de woningbeleggingsmarkt.

Zo heeft van de particuliere verhuurders met een verhuurportefeuille van meer dan 50 woningen ruim 60% zijn eerste huurpand vòòr 1996 aangetrokken. Onder de kleinschaligere verhuurders ligt dit aandeel beduidend lager, namelijk tussen de 30% en 40%. Het opbouwen van een grotere verhuurportefeuille kost simpelweg vaak tijd en geld. Tijd is overigens geen garantie voor een grote(re) portefeuille. Er zijn ook gevestigde particuliere verhuurders die relatief weinig eenheden in de verhuur hebben.

Voor veruit de meeste particuliere verhuurders was het betreden van de verhuurmarkt een bewuste keuze. Als belangrijkste redenen hiervoor noemden zij de behoefte aan een extra pensioenvoorziening of het hoge indirect en direct rendement – de verwachte waardestijging in combinatie met maandelijkse huurinkomsten.

Er zijn echter ook particuliere verhuurders die er minder bewust voor gekozen hebben om de eerste beleggingswoning aan te trekken. Dat kan bijvoorbeeld door erfenis of schenking het geval zijn. Soms ook is de huurwoning als bijvangst verworven bij de aankoop van bedrijfsvastgoed of een eigen woonhuis.

Redenen om te beginnen is tijd- en periodeafhankelijk

Particuliere verhuurders hebben hun eerste beleggingsobject gericht aangetrokken. Zo hebben de beleggers die tijdens en na de crisis de woningbeleggingsmarkt hebben betreden dit vaker gedaan, omdat zij het rendement op alternatieve beleggingen niet bevredigend vonden of omdat ze het rendement op woningbeleggingen juist als positief beoordeelden.

Uit onderzoek blijkt bovendien dat een aantal beleggers tijdens de eurocrisis simpelweg voor hun vermogen vreesde. Zij besloten te beleggen in particuliere huurwoningen, omdat het opbouwen van een verhuurportefeuille volgens hen op dat moment de enige ‘veilige’ beleggingsmogelijkheid was.

Een bewuste investering aan het begin leidt vaker tot een grotere portefeuille. Een andere belangrijke bevinding is dat de motivatie om particuliere verhuurder te worden van invloed lijkt te zijn op de omvang van de verhuurportefeuilles die verhuurders in bezit hebben.

Verhuurders die niet meer dan vijf woningen in bezit hebben, hebben hun eerste beleggingsobject vaker passief verworven, terwijl grote verhuurders vaker zijn begonnen met de intrinsieke wens om ‘vastgoedondernemer’ te worden.

Wie zijn verhuurders met investeringsplannen?

De beleggers die alleen van plan zijn om de komende jaren woningen aan te kopen, hebben twee kenmerken met elkaar gemeen. Ze zijn significant jonger dan beleggers die hun woningbestand willen laten krimpen of die helemaal geen investeringsplannen hebben.

Bovendien blijken de investeringsplannen van particuliere verhuurders gerelateerd te zijn aan de omvang van de portefeuilles die zij momenteel beheren (zie figuur 3.18). Naarmate particulieren meer woningen in bezit hebben, stijgt hun geneigdheid om in de komende twee jaar verder te groeien. Omgekeerd blijkt dat kleinschalige verhuurders, met name verhuurders die maar één beleggingswoning in bezit hebben, vaker willen consolideren.

De studie maakt duidelijk dat er geen ‘de verhuurder’ bestaat. Het is een bont gezelschap van jong en oud. Ze zijn soms bij toeval in de verhuurmarkt terecht gekomen of het is doelbewust beleid geweest. Het is dan ook aannemelijk dat dit bonte gezelschap uiteenlopende investeringsmotieven en belegging strategieën kent. Hier proberen we in de komende nieuwsbrief meer duidelijkheid over te geven.

Bron:

Planbureau voor de Leefomgeving, PARTICULIERE VERHUURDERS OP DE NEDERLANDSE WONINGMARKT.

Activiteiten, investeringsmotieven en beleggingsstrategieën, november 2019

Read more 0