Een ervan is het bouwen van zogeheten flexwoningen. Dan gaat het in de praktijk om fabrieksmatig snel in elkaar gezette huizen met een beperkte levensduur. Ze komen vaak op plekken te staan waar nog geen permanente woningbouw (toegestaan) is. De overheid zou graag zien dat er jaarlijks minimaal 15.000 van dit type huizen gebouwd worden.
Korte termijn
In de haast om 15.000 van deze flexwoningen te bouwen, gaat de aandacht eerst en vooral uit naar de kwantiteit. Maar is deze exclusieve aandacht wel verstandig? Moeten beleidsmakers niet maar aandacht aan de nadelen van dit type woningen besteden? Moet er niet ook meer aandacht zijn voor de lange termijn in plaats van focussen op de korte termijn?
Dat zou wel moeten. Het aantal kleine huishoudens blijft groeien. De overheid zelf onderstreept nut en noodzaak van duurzaamheid in de bouw. Een voorbeeld van korte termijn denken: voor wie zijn flexwoningen eigenlijk bestemd? In de regel gaat het om statushouders, spoedzoekers en studenten.
Kenmerkend voor deze groepen is dat flexwonen slechts van beperkte duur zal zijn. Het ziet er echter niet naar uit dat er nu al nagedacht wordt over de woningbehoefte van deze doelgroepen op de wat langere termijn. Flexbouwen zonder oog te hebben voor de lange termijn kan wel eens een doodlopend traject blijken.
Praktijk
Nederland zou Nederland niet zijn als de praktijk in meerdere opzichten afwijkt van de theorie. Er zijn altijd meerdere (onverwachte) problemen. Wat is een geschikte locatie, wat kan en wil een gemeente of hoe staat het met de financiën. En dan zijn er uiteraard maatschappelijke en politieke discussies die een voortvarende besluitvorming in de weg staan. Flexwonen staat in een kwade geur en veel buurten tekenen op voorhand protest aan. Het is daarom van het grootste belang dat flexprojecten goed gepland worden. Eenmaal een succes kunnen ze veel angsten en vooroordelen wegnemen. Een mislukt project zal de stigmatisering echter alleen maar versterken met alle gevolgen van dien.
Te klein
Er zijn meerdere hinderpalen op weg naar succes. Flexwoningen zijn klein, ergens tussen 20 m2 – 30m2. Dat is echt klein. De zogeheten HAT-woningen uit de jaren ’70 en ’80 waren tussen 40m2 – 50 m2 groot. HAT-woningen werden toentertijd speciaal gebouwd voor een- of tweepersoonshuishoudens. Ervaringen met HAT-woningen zouden nuttig kunnen bij het plannen van flexwoningen. De vergelijking leert dat flex echt klein is, te klein welbeschouwd.
Te klein is relevant in die zin dat het bewoners kan aanzetten snel op zoek te gaan naar iets beters. Dat betekent weer dat het verloop in flexcomplexen hoog is. Dit kan weer een negatief effect hebben op de cohesie en stabiliteit van een complex of buurt. Dat zal zeker het geval zijn als het gaat om grote concentraties kleine woningen.
Deze les was
trouwens al geleerd met de HAT-woningen. Een andere les die de HAT-woningen
hebben geleerd is, dat het beter is om kleine woningen op goed bereikbare
locaties te bouwen. Dat vermindert het sociale isolement en waarborgt de lange
termijn.
HAT-woningen die aan die voorwaarden voldeden, zijn nog steeds in trek. Minder aantrekkelijke locaties betekende een spoedig einde van de HAT-complexen.
Het is dus aan te bevelen dat gemeentes en ontwikkelaars investeren in ruimere, permanente woningen die aansluiten bij langlopende woonwensen. Maar heel weinig mensen zijn expliciet op zoek naar een echt kleine woning en 50m2 lijkt in de meeste gevallen een ondergrens. Compact bouwen kan, maar niet te klein. Op die manier kan wel meer ruimte gecreëerd worden voor de groeiende groep een- en tweepersoonshuishoudens.
Lessen
Niet te klein bouwen en op aantrekkelijke locaties moeten handvatten zijn bij het plannen van flexwoningen.
En dan zijn er nog andere aspecten die bij de bouw van compacte woningen aandacht verdienen. Bij het kiezen van locaties moet ook meegenomen worden dat bij sommige minder gelukkige keuzes er ook nog riolering en infrastructuur aangelegd moet worden. Dat vergt hoge kosten en dat doet vreemd aan voor tijdelijke locaties. Flexwoningen hebben in principe immers een beperkte levensduur. Als een gemeente besluit deze investeringen te plegen, is het dan niet beter om meteen te kiezen voor permanente bewoning? Als een locatie niet geschikt is voor permante bewoning, is het dan wel verstandig er flexbewoning te plannen?
Kortom, investeren
in flexwoningen kan helpen om de woningnood omlaag te brengen. Maar het is geen
tovermiddel. Er moet goed over nagedacht worden. Zoveel moge duidelijk zijn.